- rekenen
- {{rekenen}}{{/term}}I 〈onovergankelijk werkwoord〉1 [met getallen werken] calculer2 [de rekening opmaken] compter3 [+ op][rekening houden met] tenir compte (de)4 [vertrouwen] compter (sur)♦voorbeelden:1 〈zelfstandig〉 twee uur rekenen • deux heures de calculik heb even zitten rekenen, maar het wordt een heel bedrag • j'ai fait quelques (petits) calculs, mais ça va faire une grosse sommein guldens rekenen • compter en florinshet rekenen • le calculdoor elkaar gerekend • en moyenne2 naar zich toe rekenen • faire le compte à son propre avantage3 hij rekent op een vlotte verkoop van zijn boek • il escompte une vente rapide de son livredaar mag je wel op rekenen! • tu peux en être sûr!reken op drie uur vertraging • attends-toi à trois heures de retardII 〈overgankelijk werkwoord〉1 [tellen] compter2 [vragen] demander (pour)3 [begrijpen onder] compter (parmi, au nombre de)4 [achten] estimer5 [in aanmerking nemen] considérer6 [veronderstellen] admettre♦voorbeelden:1 alles bij elkaar gerekend • tout compte fait2 hoeveel rekent u daarvoor? • combien demandez-vous pour cela?3 men kan hem tot de grootste geleerden rekenen • il compte parmi les plus grands savants4 ik reken mij bevoegd om … • je m'estime apte à …5 je moet rekenen dat … • n'oublie pas que …reken maar! • je t'en donne!als je rekent dat het een uur rijden is! • et dire qu'il faut une heure de voiture!6 reken dat hij komt, dan zijn we met z'n dertienen • admettons qu'il vienne, nous serons treize
Deens-Russisch woordenboek. 2015.